Wie na het overlijden van een vader of moeder naar zijn kindsdeel vraagt, verwacht vaak een bedrag op de rekening. Waren je ouders getrouwd of hadden ze een geregistreerd partnerschap, dan gaat het anders. De langstlevende ouder krijgt de bezittingen en draagt de schulden, en jij krijgt een geldvordering op die ouder ter waarde van je erfdeel (artikel 4:13 BW). Die vordering kun je pas later opeisen. Ondertussen moet je wel al iets doen, zoals aangifte erfbelasting.
Hieronder staat wat de wet zegt over het kindsdeel, hoe groot het is en wat er gebeurt van het eerste overlijden tot het moment dat je kindsdeel wordt uitbetaald. Ben je in een testament onterfd, dan houd je een minimumrecht: de legitieme portie. Dit is algemene uitleg van de wet en geen persoonlijk advies.
Geldt de wettelijke verdeling in jouw situatie?
De regeling met de vordering op de langstlevende heet de wettelijke verdeling. Ze geldt als de overleden ouder een echtgenoot en een of meer kinderen als erfgenamen achterlaat, tenzij een testament iets anders bepaalt (artikel 4:13 lid 1 BW). Volgens de Rijksoverheid over de wettelijke verdeling geldt hetzelfde voor een geregistreerd partner. Loop deze situaties langs voordat je verder leest:
- Je ouders waren getrouwd of geregistreerd partners, en er is geen testament dat afwijkt. De wettelijke verdeling geldt. De rest van dit artikel gaat over jouw situatie.
- Je ouders woonden samen zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap. Dan erven alleen de kinderen; de partner is volgens de wet geen erfgenaam. Er is dan ook geen vordering op de langstlevende. Hoe de erfenis dan wordt verdeeld, lees je in wettelijke verdeling zonder testament.
- Er is een testament. Een testament kan de wettelijke verdeling uitsluiten of aanpassen. Hoe dat bij een langstlevendetestament uitpakt, staat in dat artikel. Ben je onterfd, dan houd je recht op de legitieme portie, verderop in dit artikel.
- Je ouders waren van tafel en bed gescheiden. Een van tafel en bed gescheiden echtgenoot telt in deze regeling niet als echtgenoot (artikel 4:13 lid 6 BW).
Twee situaties waarin je niet vanzelf erft. Een stiefkind erft niet van een stiefouder, tenzij de stiefouder het stiefkind in zijn testament als erfgenaam noemt. En een biologisch kind zonder juridische band met de ouder erft alleen als het in het testament staat. Sinds 1 januari 2026 wordt zo’n biologisch kind voor de erf- en schenkbelasting wel gelijk behandeld met andere kinderen, als het biologische ouderschap met een DNA-test is aangetoond.
Hoe groot is je kindsdeel?
De langstlevende en de kinderen erven voor gelijke delen (artikel 4:11 lid 1 BW). In het rekenvoorbeeld van de Belastingdienst hieronder krijgt ieder een derde. Je kindsdeel is dus de nalatenschap gedeeld door het aantal erfgenamen: de langstlevende ouder plus alle kinderen samen.
Let op wat de nalatenschap is. Dat is niet altijd alles wat je ouders samen hadden. De Belastingdienst rekent het voor met een gezin zonder testament en zonder huwelijkse voorwaarden: van het gezamenlijke huis en spaargeld telt de helft als nalatenschap van de overleden ouder.
| Rekenvoorbeeld Belastingdienst | Bedrag |
|---|---|
| Huis | € 300.000 |
| Spaargeld | € 60.000 |
| Samen | € 360.000 |
| Nalatenschap: helft van het huis (€ 150.000) plus helft van het spaargeld (€ 30.000) | € 180.000 |
| Erfdeel per erfgenaam: partner en twee kinderen, ieder een derde | € 60.000 |
De langstlevende houdt in dit voorbeeld het huis en het spaargeld en heeft aan elk kind een schuld van € 60.000. Dat bedrag is de vordering van elk kind. Over die vordering betalen de kinderen erfbelasting; de langstlevende schiet die belasting voor, waardoor de vordering kleiner wordt.
Van overlijden tot uitbetaling: wat er gebeurt en wat je kunt doen
Tussen het overlijden van de eerste ouder en de uitbetaling van je kindsdeel gebeurt er meer dan wachten. Deze tabel zet de momenten op een rij die in de wet en bij de Belastingdienst staan.
| Moment | Wat er gebeurt | Wat je kunt doen |
|---|---|---|
| Overlijden van de eerste ouder | De langstlevende krijgt de goederen en draagt de schulden. Elk kind krijgt een geldvordering ter waarde van zijn erfdeel (art. 4:13 lid 2 en 3 BW). | Nagaan of er een testament is, via het Centraal Testamentenregister. |
| De eerste drie maanden | De langstlevende kan de wettelijke verdeling ongedaan maken met een verklaring bij de notaris (art. 4:18 BW). | Weten dat de verdeling in deze periode nog kan veranderen. |
| Aangifte erfbelasting | Je doet aangifte over je erfdeel als dat hoger is dan de vrijstelling. De executeur of de langstlevende betaalt; je vordering wordt daardoor kleiner. | De aangifte samen met de executeur of de langstlevende regelen. |
| Zolang de langstlevende leeft | De vordering is niet opeisbaar. De wet verhoogt haar alleen voor zover de wettelijke rente boven 6% ligt; een andere afspraak mag (art. 4:13 lid 4 BW). | Bespreken of er rente wordt afgesproken. |
| De langstlevende wil hertrouwen | Je kunt vragen om goederen over te dragen tot de waarde van je vordering, met vruchtgebruik voor de ouder, tenzij die daarvan afziet (art. 4:19 BW). | Je wilsrecht inroepen bij je ouder. |
| Faillissement of schuldsanering van de langstlevende | De vordering wordt opeisbaar (art. 4:13 lid 3 BW). | Je vordering opeisen. |
| Overlijden van de langstlevende | De vordering wordt opeisbaar (art. 4:13 lid 3 BW). | Je kindsdeel opeisen bij de afwikkeling van de tweede erfenis. |
Een testament kan ook een ander moment noemen waarop de vordering opeisbaar wordt. De wet laat dat uitdrukkelijk toe (art. 4:13 lid 3 BW). Lees het testament dus na, als dat er is.
De eerste drie maanden
De wettelijke verdeling ligt niet meteen vast. De langstlevende echtgenoot kan haar ongedaan maken binnen drie maanden vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen. Dat gaat met een verklaring bij de notaris, die binnen dezelfde termijn in het boedelregister moet worden ingeschreven (artikel 4:18 lid 1 BW). De verklaring werkt terug tot het moment waarop de nalatenschap openviel. Betalingen die de langstlevende al aan de kinderen heeft gedaan, worden verrekend (artikel 4:18 lid 2 BW).
Aangifte erfbelasting na het eerste overlijden
Je krijgt bij het eerste overlijden nog geen geld, maar je bent wel erfgenaam. Daarom moet je al aangifte erfbelasting doen over je erfdeel als dat hoger is dan de vrijstelling. Die vrijstelling is in 2026 € 26.230 voor een kind, pleegkind of stiefkind, en € 78.671 voor een kind met een beperking (daarvoor gelden voorwaarden).
De Belastingdienst stuurt de aanslag naar de kinderen, maar de executeur betaalt hem. Is er geen executeur, dan betaalt de langstlevende. Meestal schiet de langstlevende de belasting voor, en wordt je vordering met dat bedrag kleiner. Bestaat de nalatenschap vooral uit een woning en kan de langstlevende de belasting niet betalen, dan kan uitstel van betaling worden aangevraagd.
Rente over je vordering
De wet geeft je vordering alleen een beperkte verhoging. Het bedrag wordt per jaar verhoogd met het deel van de wettelijke rente dat boven 6% ligt, berekend over de hoofdsom (artikel 4:13 lid 4 BW). Dezelfde bepaling zegt dat de langstlevende en de kinderen iets anders mogen afspreken.
Een rente-afspraak heeft gevolgen voor de erfbelasting. Volgens de Belastingdienst levert een afgesproken rente van 6% samengesteld of meer geen voordeel of nadeel op: iedere erfgenaam wordt belast over zijn volle erfdeel. Is de rente lager, dan verschuift er voor de belasting waarde van de kinderen naar de langstlevende. Een rente-afspraak kan bij het eerste overlijden meer erfbelasting voor de kinderen betekenen en bij het tweede overlijden minder, omdat de schuld van de langstlevende dan groter is. Wat je nu al kunt vastleggen, lees je in kindsdeel opeisen na overlijden van één ouder.
Als je vader of moeder wil hertrouwen: je wilsrechten
Wil je vader of moeder opnieuw trouwen, dan geeft de wet je wilsrechten. Heeft de langstlevende ouder aangifte gedaan van het voornemen opnieuw te trouwen, dan moet die ouder op jouw verzoek goederen aan je overdragen tot de waarde van je vordering, inclusief de wettelijke verhoging (artikel 4:19 BW). De ouder houdt het vruchtgebruik van die goederen, tenzij hij of zij daarvan afziet.
Een vergelijkbare plicht heeft een stiefouder: als je ouder bij zijn of haar overlijden met die stiefouder getrouwd was, en als je vordering op die stiefouder rust. Is de stiefouder overleden, dan rust de plicht op diens erfgenamen (artikelen 4:20 tot en met 4:22 BW). Een testament kan de wilsrechten opheffen of beperken.
Wanneer je kindsdeel opeisbaar wordt
Je vordering wordt opeisbaar in vier gevallen: als de langstlevende overlijdt, failliet wordt verklaard, in de schuldsaneringsregeling komt, of in een ander geval dat de overleden ouder in zijn testament heeft genoemd (artikel 4:13 lid 3 BW). Eindigt de schuldsanering, dan is het deel van de vordering dat niet is betaald weer niet opeisbaar (artikel 4:13 lid 5 BW). Meer over die uitzonderingen staat in kindsdeel erfenis opeisen: wanneer kan het.
Na het overlijden van de langstlevende
Overlijdt de langstlevende ouder, dan wordt je vordering opeisbaar. Hoe die tweede erfenis wordt afgewikkeld, lees je in erfenis verdelen in de praktijk. Overlijdt een erfgenaam zelf voordat er is uitbetaald, dan speelt er een andere vraag: wie erft er als een erfgenaam overlijdt voor de uitbetaling.
Met een testament: de legitieme portie
Een ouder kan een kind in een testament onterven. Gaat het kind akkoord met de onterving, dan krijgt het niets uit de erfenis. Het kind kan ook de legitieme portie opeisen: een geldbedrag ter grootte van de helft van wat het kind volgens de wet zou erven. Je kunt geen spullen of bezittingen opeisen, alleen geld. Wat je als ouder wel en niet kunt regelen, staat in kindsdeel erfenis onterven.
Het Juridisch Loket over onterven beschrijft de berekening in vier stappen:
- Tel de waarde van de erfenis op. Sommige giften tellen mee.
- Trek de schulden van de overledene af.
- Deel wat overblijft door het aantal erfgenamen zonder testament, meestal de partner en de kinderen.
- De helft daarvan is de legitieme portie.
Giften die meetellen zijn onder meer: giften die de ouder deed om de legitieme portie kleiner te maken, giften die de ouder tijdens zijn leven had kunnen terugvragen, giften die pas na het overlijden worden betaald, alle giften aan kinderen en kleinkinderen, en andere giften uit de laatste 5 jaar voor het overlijden, bijvoorbeeld aan een goed doel.
Je moet de legitieme portie binnen 5 jaar na het overlijden opeisen, anders vervalt het recht. De erfgenamen mogen je een andere einddatum geven, maar die moet redelijk zijn. Je eist de legitieme portie op bij de erfgenamen, of bij de executeur als die er is, bijvoorbeeld met een brief. Opeisbaar is de legitieme portie pas vanaf 6 maanden na het overlijden. Leeft de partner van je ouder nog, dan wordt de legitieme portie vaak pas betaald als die partner ook is overleden.
Heeft een onterfd kind zelf kinderen, dan erven die in zijn plaats, tenzij ook zij in het testament zijn onterfd. Hoe dat werkt als een kind al is overleden, lees je in erfenis kindsdeel bij een overleden kind.
Het testament en de cijfers opvragen
De erfgenamen of de executeur hoeven je niet te vertellen dat je ouder is overleden. Of er een testament is, zoek je op via het Centraal Testamentenregister. Als onterfd kind heb je recht op alle gegevens over de erfenis die je nodig hebt om je legitieme portie te berekenen. Voor een algemene vraag kun je de Notaristelefoon bellen op 0900 346 9393; voor je eigen situatie is een notaris het aanspreekpunt.
Lees ook
Laatst gecontroleerd op 19 oktober 2026.
